Borstwratten en ontbinding

januari 28, 2015

Taallessen op de middelbare school bereiden je natuurlijk nooit echt voor op leven in het land van de gesproken taal. Zelfs de meest alledaagse gesprekjes worden bemoeilijkt door regionale rariteiten, waarvan je de betekenis maar moet raden. Ja, grüß Gott, daar was ik nog net op voorbereid toen ik naar Beieren verhuisde, maar niemand had me ooit verteld dat servus kennelijk ook ‘hallo’ betekent. En ‘dag’ bovendien.

Al doende leert men. Je begrijpt het direct wanneer iemand Wiederschau zegt, in plaats van het geleerde auf Wiedersehen. En als je eenmaal de lokale tongval weet weg te filteren, begrijp je ook dat ze je met schiena Toak een prettige dag wensen, al klonk het op school meer als sjeune Tahk. Uit de context blijkt ook snel genoeg dat wanneer iemand Mahlzeit! blaft, dat vriendelijk bedoeld is en zoveel als ‘smakelijk eten’ betekent.

Een zwangerschap brengt echter ook minder alledaagse gesprekjes met zich mee en daardoor nog veel meer te leren. Het begint met het zoeken van een verloskundige. Ze blijken ook hier gewoon te bestaan en heten Hebamme. Een woord dat voor mijn gevoel vraagt om een uitroepteken: Hebamme! Of twee: Hé! Bamme! In mijn hoofd wordt direct een vreemde connectie gelegd met ‘memmen’ wat het makkelijk te onthouden maakt.

Ik stuur de lokale Hebamme een berichtje dat ik ook mijn derde kind graag thuis ter wereld zou brengen; in hoeverre dat hier tot de mogelijkheden behoort. Dergelijke gebruiken zijn ook nooit op school ter sprake gekomen. Ze schrijft terug dat ze zelf geen thuisbevallingen doet –Hausgeburten, ja, precies zoals ik gevraagd had- maar dat ik contact kan opnemen met een andere Hebamme, met wie zij in het verleden “daheim entbunden hat.” Wat zouden ze samen gedaan hebben, vraag ik me vertwijfeld af. Gelukkig weet mijn woordenboek wel dat Entbindung gewoon ‘bevalling’ betekent, zodat manlief en ik tevreden kunnen vaststellen dat ik aan het eind van mijn negen maanden “lekker in ons eigen bed ga liggen ontbinden.”

Maar zover is het nog niet. Eerst kan ik mijn kennis van de Duitse taal vergroten met behulp van tijdschriften voor wordende moeders. Ik blijk last te hebben van Sodbrennen –wat mij vrolijker in de oren klinkt dan dat nare brandende maagzuur- en zie met verbazing een artikel aangekondigd worden over de verzorging van Brustwarzen. Die heb ik gelukkig niet, denk ik, borstwratten. Ik heb er zelfs nog nooit van gehoord, hoewel ik inmiddels toch veteraan ben op gebied van zwangerschap, bevalling en borstvoeding (Stillen, inderdaad een uiterst effectieve manier om een baby stil te krijgen). Maar ik heb ze wel. Mijn hele leven al. Het blijken tepels te zijn.

Advertenties

Naar

december 11, 2014

De halve nacht heb ik wakker gelegen en net als ik mezelf langzaamaan weg voel zakken, gaat de wekker. Alweer. Ik wil niet. Ik wil niet meer. Ik wil mijn man een schop onder zijn kont geven en zeggen: “Ga jij maar, ik doe het niet meer.” Maar hij zit op conferentie in Rome, dus in plaats daarvan mep ik op de snooze-knop. Toen ik nog dagelijks tijd verloor aan mijn ochtendmisselijkheid heb ik de wekker iets naar voren verzet, dus ik kan me, nu dat hoofdstuk ten minste afgesloten is, die tien minuutjes wel permitteren. Tien minuutjes rust nog. Of tien minuutjes om te zwelgen in zelfmedelijden en onredelijkheid. Daar heb ik ook wel eens zin in.

Uiteraard voelen de kinderen mijn bui feilloos aan en werken ze deze ochtend liever tegen dan mee, maar met of zonder nee’s zijn ze een dik uur later toch netjes afgeleverd op de Kindergarten. Ik zou me bijna verbeelden grip op de zaak te hebben, als ik bij het dichttrekken van het KiGa-hek moet toegeven dat ik me echt best naar voel. Zonder zelfmedelijden. In plaats van direct door naar de supermarkt, besluit ik eerst maar naar huis te gaan. Even liggen lijkt ineens zo buitengewoon aantrekkelijk. Eenmaal thuis bedenk ik dat ik in plaats van te gaan liggen, misschien toch eerst nog maar iets moet eten. Eenmaal in de keuken bedenk ik echter dat ik in plaats van een tosti klaar te maken, misschien toch eerst moet overgeven. Het is een lastig te duiden gerommel vanbinnen.

Ik bereik het toilet nog precies op tijd om het schamele ontbijt wat ik met de kinderen naar binnen heb gekregen er netjes in te kunnen mikken. In de stuiptrekkingen die mijn lijf daarbij maakt, moet ik hulpeloos constateren dat mijn broek niet droog blijft. Nu voel ik me pas echt naar. Heel erg buitengewoon naar en zielig bovendien.

Donderdag, bedenk ik. Nog een dagje. En dan komen er twee dagen zonder wekker. Als ik dan rustig wil wakker worden, kruipen de kinderen bij me om lekker te knuffelen, en brengen ze mij ontbijt op bed, bestaande uit plastic taartjes en fruit, waarbij ze denkbeeldige kopjes thee schenken uit een zingende pot. En tot die tijd, mag ik best een beetje rustig aan doen. Ik heb per slot van rekening net overgegeven. Ik ben zwanger. Ha. Wat een prachtig excuus! Ik plof op de bank en doe een uur lang gewoon niets. Helemaal niets. Wat een heerlijke manier om je naar te voelen.


Rust

november 24, 2014

Zodra ik mijn tenen in het water steek, springt het kippenvel over mijn hele lijf, zo heet is het. Ik laat me zakken tot het schuim over mijn schouders komt en leun achterover. Er heerst een ongekende rust en stilte in huis. Als ik mijn ogen dichtdoe is er niets meer dan het warme water dat me omsluit.

Niemand komt vragen wat ik aan het doen ben en waarom; of ze erbij mag en waarom niet. Er zijn geen priemende vingertjes met impertinente vragen over de vrouwelijke anatomie in het algemeen en de mijne in het bijzonder. En geen stiekem in het schuim graaiende handjes met de vraag of ze er inmiddels al bij mag en wanneer dan wel.

Ik bedenk me dat ik vaker ’s avonds na kinderbedtijd in bad zou moeten gaan, nog net voor ik in slaap val om een kleine drie kwartier later koud en stijf wakker te worden.


Zoon

september 24, 2014

Ik heb een blauw vestje gekocht. Zacht velours, maatje 50. En twee blauwe rompers. Ik krijg namelijk een zoon. Ik heb het vrijdagmiddag zelf gezien. De echoscopiste wees naar het scherm, dat kon niet missen, dat was een jongetje. En nu lag er maandagochtend zomaar ineens een lief blauw vestje, gewoon in de supermarkt. En blauwe rompers. En ik krijg een zoon.

Al bijna drie jaar lang roep ik “dames” als ik mijn kinderen bedoel. Ze hebben auto’s en stoere broeken. Eén heeft blauw als lievelingskleur en daarom laatst nog een jongensregenpak gekozen, de ander had liever pyjama’s met dino’s en graafmachines dan met beertjes en harten, maar ze hebben ook Barbies, Little Pony’s en heel veel roze details in hun kleding. En het allerliefst dragen ze een jurk. Het zijn toch echt onmiskenbaar beiden meiden. En nu krijg ik een zoon.

Bij de eerste had ik werkelijk geen voorkeur of voorgevoel kunnen benoemen, al had ik er een miljoen voor gekregen. Jongetje of meisje, wat kon mij dat schelen? Ik kreeg een baby en daarmee was mijn wens wel vervuld. Bij de tweede vroegen mensen tot mijn verbazing of ik nu -dat wil zeggen, met reeds een meisje- op een jongetje hoopte. Ik zou daar weliswaar geen enkel bezwaar tegen gehad hebben, maar vond mijn meisje wel zo leuk dat ik daar best nog een van wilde. Ik kon me bovendien niet anders voorstellen dan dat ik een dochter zou baren. Toen de tweede inderdaad ook een meisje bleek, verbaasden mensen me nog meer met de vraag of ik dan nog zou proberen ook een jongetje te krijgen. Kun je dat überhaupt proberen? En waarom zou je dat willen? Ik hoefde niet per se een zoon.

Toen de derde zich dan uiteindelijk aandiende, had ik nog steeds geen voorkeur. Het idee dat het een jongetje zou kunnen zijn, kwam ergens wel in me op, maar drong niet echt door. Ik waande me al bijna de koningin, met drie kleine prinsesjes. Het leek me vanzelfsprekend. En zo zoet, bovendien, drie meisjes. Maar ik krijg een zoon.

Ik ben niet teleurgesteld. Absoluut niet. Maar wel een beetje beduusd. Ik kan me er zo weinig bij voorstellen. Ik weet dat dat onzin is, dat ik me de anderen ook niet voor hun geboorte kon voorstellen, en toch voelt dit anders, vreemd en onzeker. Een zoon. Fascinerend. Ik aai mijn zachte blauwe vestje. Het vestje dat dat wonderlijke echo-beeld in mijn realiteit verankert. En ik wil de hele dag niets anders dan simpelweg zeggen: “Ik krijg een zoon. Zoon, zoon, zoon.”


Alleen

september 3, 2014

Ik ben helemaal alleen. Thuis. Ik ben alleen thuis. In mijn eentje.

Ik kan me de laatste keer dat dat gebeurde niet herinneren. Misschien heeft mijn man de kinderen begin van de zomer wel eens een half uurtje meegenomen naar de speeltuin, terwijl ik met het excuus van een beginnende zwangerschap moe en misselijk op de bank hing, voordat ik mezelf de keuken insleepte om ieders eten te bereiden. Maar dit is anders.

Het is kwart over negen ’s ochtends. Ik heb alle boodschappen al in huis, maar geen kinderen meer. Ze zijn op de Kindergarten. Allebei. Hoewel de diepvries nog vol ijsjes ligt en de barbecue nog onuitgepakt staat, hoewel de oudste niet watervrij is geworden door veelvuldig strandbezoek en de jongste nog steeds zijwieltjes aan haar fiets heeft, is de zomervakantie toch echt alweer helemaal voorbij. En ditmaal is ook de jongste vol trots en enthousiasme aan deze nieuwe fase begonnen. Met haar eigen, nieuwe rugzak op haar rug. Omdat ze “ook al zo groot!” is.

Mijn tijdelijk kinderloze moederschap biedt ongekende mogelijkheden. Ik zou het achterstallig schoonmaakwerk dat zich in de vakantie heeft opgestapeld vlot en efficiënt, zonder tweejarige hulp en afleiding, kunnen wegwerken. Ook de tuin schreeuwt, zo eind van de zomer, om aandacht die ik, zonder inmenging van kinderschepjes en rondsuizende ballen, volledig zou kunnen geven. Maar omdat het met zeventien weken zwangerschap inmiddels wel eens tijd wordt om te stoppen met overgeven, heeft manlief me gezegd vooral rustig aan te doen; dat de kinderen er niet zijn betekent wel dat ik meer tijd heb, maar niet per se dat ik meer moet doen. Niet direct, althans. Eerst mag ik een beetje extra aan mezelf denken.

Ik zou dus ook kunnen gaan sporten. Dit logge lijf weer eens een beetje in beweging krijgen zou best een nuttige bezigheid zijn, trouwens. In een gezond lijf kan niet enkel een gezonde baby groeien, maar ook een gezonde geest. En, over gezonde geest gesproken, ik zou ook kunnen schrijven. Voor de verandering eens op een uur van de dag dat ik niet tegelijkertijd hoef te vechten tegen de slaap. Dat zou ten minste een intelligente bezigheid zijn.

Terwijl ik alles wat ik zou kunnen doen overweeg, pluk ik het zojuist bezorgde pakket folders open. En eigenlijk, heb ik ook wel eens zin in een kopje koffie, bedenk ik. Het borrelt en rommelt vanbinnen inmiddels weer behoorlijk, dus maak ik er crackers met kaas bij -het draaien van de maag wordt immers het beste gestopt door haar flink te verzwaren. Ik eet crackers, drink koffie en bekijk de aanbiedingen van de supermarkten. Jungbullen braten aus dem Bug. Wat zou de Bug zijn? Daar hebben we internet voor. Hoe zou ik dat moeten klaarmaken? Ik zoek er maar gelijk een paar recepten bij. Dat ziet er lekker uit. Dat ziet er trouwens ook lekker uit. En dat ook, en dat.

En voor ik het weet moet ik me haasten om nog een was in de machine te krijgen, voordat de kinderen weer opgehaald moeten worden, met wie ik de hele middag in mijn niet schoongemaakte huis met niet opgeruimde tuin doorbreng. Het kinderloos moederschap biedt ongekende mogelijkheden, maar je moet ze weten te benutten, voor de kinderen er weer zijn.


Ouder en dikker worden

augustus 14, 2014

Ik schrik als ik mijn broek dichtdoe. Daar zit een buik. Een echte, heuse buik. Zo een die uitsteekt. Ik draai me verbaasd naar de spiegel. Waar komt die buik ineens vandaan? Hoe is het mogelijk dat ik hem niet heb zien ontstaan? Hoe kan een mens zo plotseling, vanuit het het niets zo’n buik hebben?

Ik schraap mijn moed bij elkaar, haal diep adem en stap op de weegschaal. Dat is pas echt schrikken. Ik kan me de laatste keer dat ik dat deed niet precies herinneren, maar ik weet wel dat er sindsdien drie kilo zijn bijgekomen. Drie. Drie hele kilo’s. Daarmee ben ik het gevaar van een kilo per jaar ruimschoots gepasseerd. Hoe is dit mogelijk, paniek ik in stille verbijstering.

Drie en een half jaar leefde ik omringd door verleidingen, maar hield ik mijn rug recht en daarmee mijn buik plat. De zilverglimmende karren met donuts, cupcakes en bagels, die met hotdogs, gyros en burgers, de talloze eettentjes -pizzeria’s, gezellige restaurantjes, authentieke diners en in tl-licht badende fastfoodketens- ze grijnsden me zo ongeveer om de andere etalage toe, maar ik wist ze te negeren. Ik liep stug door naar de groenteboer om inkopen te doen voor mijn geheel verantwoorde thuisbereide maaltijden. En ik bleef op gewicht.

Okee. Niet helemaal misschien. Na de geboorte van de tweede bleef een kleine twee kilo hangen die er voor de zwangerschap niet geweest waren. Maar daarmee had ik nog altijd een heel gezond gewicht, en een platte buik bovendien. Niet zo strak als voorheen misschien, maar wel plat. En vijftien jaar en twee kinderen later had ik ook geheel niet de illusie dat ik nog moest nastreven mijn achttienjarige figuur terug te winnen. Erop terugkijkend vond ik het al wonderlijk genoeg dat ik dat lichaam, onbewust van zijn toen nog goddelijke schoonheid, jarenlang had mogen hebben.

Ik staar nog steeds naar mijn buik. Hier zijn de verleidingen natuurlijk subtieler. Geen afhaaleten op iedere straathoek, maar in plaats van kalkoenfilet en cottage cheese eet ik hier wel Mettwurst en Alpenkaasjes op mijn brood. Om maar te zwijgen van de varkensbuik, die immer ligt te lonken in de supermarkt, naast de kippetjes, die hier haantjes heten en zo slecht nog niet zouden zijn als ik maar kon ontkomen aan mijn gewoonte vooral de vellen eraf te snoepen. En ik heb geen zwembad meer naast de deur voor een dagelijks kilometertje of twee. Dus daar zal die buik wel vandaan komen.

Het roer moet om. Zoveel is duidelijk. Minder eten, vooral minder vet, en meer bewegen; die buik gaat eraf, neem ik mij stellig voor. Zeer stellig.

Een week later constateer ik dat het niet gaat lukken. Maar dan ook echt helemaal niet. Ik glimlach. Maar als ik met mijn hand op mijn buik naar de spiegel draai, denk ik wel: verdorie, het lijkt wel zes maanden in plaats van zes weken!


Hoog aan de hemel

juli 10, 2014

Er zijn woorden, korte en langere zinnen die door je hoofd blijven spoken totdat je er eindelijk iets mee doet. Hele alinea’s, soms. Ze overvallen je op volstrekt onverwachte en bovendien willekeurige momenten en blijven vervolgens zeuren om geschreven te worden. Vaak lukt het uiteindelijk wel om ze te vergeten. Heel vaak zelfs juist op het moment dat ik er eindelijk eens goed voor ga zitten om ze op te schrijven. Maar vandaag ga ik er één in de catergorie korte zin daadwerkelijk op papier zetten: hoog aan de hemel staat de klok. Het dreunt nu al een poosje door mijn hoofd -hoog aan de hemel staat de klok- en het moet eruit.

Ik hou van de klank, het ritme en de onverwachte ontknoping. En dan de betekenis.

Wat is de betekenis? Daar valt heerlijk over te filosoferen. Is het een spiegel? Hebben wij in onze moderne tijd vol haast en afspraken de klok tot nieuwe god verheven? Is de klok het belangrijkste in ons leven geworden? Hebben wij hem hoog aan onze hemel geplaatst? Of is het juist een aanwijzing hoe anders te leven? Moeten we ons meer gaan richten op de enige echte klok, die hoog aan de hemel staat: de zon? Zoals in eenvoudiger tijden simpelweg werken zolang het licht is en slapen zolang het donker is. Wat leidt tot een beter leven? En ach, als we toch gaan filsoferen; wat is een beter leven?

Zo rommelt het in mijn hoofd maar door, want interpreteren kan alle kanten op. Daar heb ik per slot van rekening voor doorgeleerd.

Maar uiteindelijk moet je toch eerlijk zijn en naar de oorsprong kijken. In tegenstelling tot de meeste formuleringen die door mij geschreven willen worden, is deze niet spontaan uit het niets ontstaan. Deze zat niet ineens, zonder aanwijsbare oorzaak in mijn hoofd. Deze borrelde zelfs niet langzaamaan als gevolg van iets anders wat ik zag of hoorde boven. Deze heeft een duidelijke oorsprong. Deze is van iemand anders. Eigenlijk.

Ze hing aan mijn stuur. Voordat we haar grote zus gingen ophalen van de Kindergarten, lazen we nog net ‘Raad eens hoeveel ik van je hou,’ waarin de maan hoog aan de hemel staat. En terwijl zuslief vervolgens achterop klauterde, staarde mijn kleine filosoof-poëet naar de kerktoren. “Hoog aan de hemel staat de klok,” constateerde ze wijs. Zo is het maar net. Hoog aan de hemel, staat de klok.