Kriebels

juli 13, 2020

‘s Nachts droomde ze van mieren. Kleine zwarte mieren, waarvan ze zich niets herinnerde bij het opstaan. Ze marcheerden in lange slieren door de kamers, of krioelden in grote wolken rond haar voeten, maar ze vergat het voor ze zich ervan bewust was. Soms ontwaakte ze wel met een vage herinnering aan jeuk, en een enkele keer schrok ze wakker omdat ze met een vlakke hand langs haar arm had geslagen, maar nooit bracht ze dit in verband met de mieren die haar in haar dromen bezochten.

Overdag werkte ze, maandag, dinsdag en vrijdag in het archief, woensdag en donderdag voorop, zoals ze het noemden, aan de balie waar burgers verzoeken konden indienen om archiefstukken in te zien. Op die dagen was het haar taak vriendelijk te glimlachen bij het in ontvangst nemen van een dergelijk verzoek, op de rechterbovenhoek van het voorblad de datum te stempelen, de naam en adresgegevens van de eerste bladzijde terug te lezen aan de indiener, en nadat deze de correctheid ervan bevestigd had, ze te vergelijken met de meegebrachte identificatiepapieren, alvorens de vingerafdruk te laten plaatsen in kolom 8b, op pagina 5. Het was niet per se zo dat ze dit leuker vond om te doen dan het slepen met dozen dat ze op de andere dagen deed; het dwalen langs de stellingen om geziene stukken te retourneren, of het systematisch ompakken en schoonmaken van de eindeloze rijen planken, waar nooit iets meer dan twee weken stil mocht liggen, maar ze waardeerde ten minste het vleugje frisse lucht, de glimp daglicht op zonnige dagen, die binnendrong wanneer iemand de voordeur opende.

Dit gebeurde helaas steeds minder. Geruchten verspreidden zich immers altijd snel, en het gerucht dat iedereen die een verzoek tot inzage indiende uitvoerig doorgelicht werd en vaker wel dan niet op de lijst verdachte individuen belandde -met alle gevolgen van dien, was onmiskenbaar waar. Professor Toms, die de opvoeding van de kinderen van de Baas verzorgde, was de enige die met een zekere regelmaat langskwam. Zijn verzoeken moest ze in een aparte lade leggen, en werden altijd dezelfde week nog gehonoreerd. Maar inmiddels was het de derde woensdag sinds ze hem voor het laatst gezien had, en niemand anders was met enig verzoek gekomen.

Even schrok ze, omdat ze dacht dat het haar wilskracht was die de deur deed bewegen terwijl ze plotseling zo’n verschrikkelijke, onbegrijpelijke behoefte aan daglicht had gevoeld. Een streepje maar, voor ze vergat hoe het eruit zag, had ze gedacht toen ze de berichten hoorde dat vandaag een blauwe dag zou zijn. Maar er stapte wel degelijk iemand binnen. Een jonge man, wiens haar in grote plukken over zijn voorhoofd krulde, van waaronder hij haar lang aankeek voordat hij zijn papieren overhandigde. Ze glimlachte. Stempelde, bladerde, las.

Hij bleef kijken. En ze begreep dat hij geoefend had. Iemand die iets te verbergen heeft, zal je nooit recht aankijken, was tot een stelregel verworden sinds de Baas zichzelf er succesvol mee had verdedigd bij zijn aanvankelijk omstreden aantreden. Ze wist niet hoeveel mensen sindsdien waren opgepakt wegens wegkijken. Niemand wist het en dat was waarschijnlijk precies de bedoeling. Ze wist wel dat er iets mis was met deze man zijn identificatiepapieren, maar ze zag niet wat. Ze keek hem nog eens aan, hij keek nog altijd naar haar. Zachtjes blies ze over haar onderlip uit, terwijl ze doorbladerde naar pagina 5. Ze accepteerde zijn vingerafdruk en glimlachte nog eens terwijl hij nogmaals recht in haar ogen keek. Toen glimlachte hij ook.

Ze wist niet hoeveel dozen ze verschoven, gepoetst en gedraaid had, toen ze maanden later op de plank retouren het archiefnummer herkende dat op zijn papieren gestaan had. Een korte huivering trok door haar lichaam bij de gedachte aan het verraad jegens de Baas dat zij gepleegd had door niet direct identificatiecontrole in te schakelen. De gedachte aan zijn blik tuimelde er doorheen, zijn glimlach, die wel oprecht geweest was, en voor ze er erg in had, opende ze de doos. Ze snapte niet wat ze zag. Zwarte bolletjes, in groepjes van drie van verschillende grote, de middelste wat langer, het ene uiteinde klein, het andere dik. Met sprieten. Sprieten met knikken erin. Het deed haar ergens aan denken, maar ze wist niet aan wat. Ze haalde pas weer adem, toen ze doos dichtdeed. En vervolgens haar ogen. Wat betekenden die bolletjes, waarom waren ze opgenomen in het archief, welk belang konden ze hebben voor het verzet waartoe ze vermoedde dat de jongeman behoorde, en waarom kwamen ze haar zo vreemd bekend voor, terwijl ze ze nog nooit eerder gezien had? Ze sloeg onwillekeurig met haar vlakke hand langs haar arm en schrok van zichzelf. Denken behoorde zeer zeker niet tot de haar toebedeelde taken.

Het duurde nog enkele weken voor hij op een avond in haar vertrek verscheen. Vanonder zijn krullen keek hij haar enige tijd aan voor hij begon te praten. Hij vertelde van het Vergeten Verleden dat het verzet weer bekend wilde maken. Hoe het vroeger gewemeld had van de dieren waarvan de Baas nu het bestaan ontkende. Ze luisterde en nam zijn woorden in zich op. Niet alleen over de fantastische wezens die hij mieren noemde, maar ook over vele anderen. Er waren er met vleugels, zei hij, met zogenaamde angels die prikken konden. En hij praatte over haar, over alle werkers. Zij zouden kunnen denken, als zij het wilden, zei hij.

Die nacht droomde zij van krullen, dikke lokken. Van een blik die recht in de hare boorde, en het meende. En toen ze ontwaakte, wist ze het allemaal nog precies.


Liefde in tijden van corona

juli 1, 2020

Op de vloer van de supermarkt waren pijlen aangebracht, alle paden eenrichtingsverkeer gemaakt, om opstoppingen te voorkomen. Niet eerder waren er zoveel opstoppingen. Mensen stonden verdwaald en verdwaasd, de weg kwijt en de producten. Daar stond zij. Met een kar broden. En juist toen hij een brood uit het schap wilde pakken, wilde zij er een inleggen.
“Sorry,” zeiden ze allebei tegelijk, en vervolgens: “nee, ga je gang.”
Zij lachte en deed een stap achteruit. Hij duikelde het schap in, greep niet het brood dat hij eigenlijk wilde en haastte zich weg, zag de pijlen op de grond, draaide en bloosde zijn weg langs haar glimlach.

Drie dagen liep hij langs de supermarkt zonder naar binnen te gaan. Zo min mogelijk, waren de voorschriften immers. Een mens moet toch verse groenten eten, zei hij de vierde dag tegen zichzelf. Terwijl hij naar binnen stapte, voelde hij zich wat licht in zijn hoofd, rommelig in zijn buik misschien, hij wist het niet precies. Hij focuste op de pijlen, volgde ze nauwgezet en miste geen stukje van de winkel. Daarna maakte hij nog een rondje, gooide her en der wat in zijn wagentje en voelde zijn benen zekerder en zijn ademhaling rustiger worden. Ze was er niet.
Maar ze was er wel. Ze keek op, vanachter het wiebelig ogende plexiglas, en recht in zijn ogen. Hij stak zijn handscanner naar haar op en moest door. Met een zucht nam hij zijn tas. Er zat voor hooguit drie dagen eten in.

Na twee dagen zocht hij alweer zijn verwarde weg tussen de pijlen. Ze verhinderden hem om te draaien toen hij op het pallet stuitte in het pad ontbijtgranen. Zij pakte hem samen met een collega leeg, ieder aan een kant ritselend met dozen cornflakes en muesli.
“Heb jij gisteren de toespraak nog gekeken?” vroeg de onbekende over het pallet heen.
“Ja, de twee-meter-regel wordt afgeschaft,” antwoordde ze haar collega. Maar ze keek hem aan toen ze zei: “Volgende week hoeven we nog maar één meter afstand te houden.”


Droomkeeper

mei 11, 2020

Ooit was er een tijd dat ik ervan droomde ballerina te worden. Ik draaide ongecoördineerde pirouettes door de woonkamer en gooide mijn benen dramatisch in de lucht. Kort daarop ging ik op turnen. Spoedig maakte ik radslagen en sprong ik spagaten, overal waar ik maar voldoende ruimte zag om mijn groeiende elegantie ten toon te spreiden.

Toen werd ik ouder. Ietsje maar, niet eens zoveel, maar het was afdoende. Mijn armen en benen waren ineens onbeheersbaar lang. Mijn lichaam was me vreemd en ik zat er ongemakkelijk in. Het was tijd om me in mijn kamer op sluiten, te dromen over dingen waarover ik slechts vage vermoedens kon koesteren, en te hopen dat vooral niemand mijn kant zou opkijken. Nou ja, behalve dan die waanzinnig knappe, iets oudere jongen, die eigenlijk ook wereldberoemd was, maar die alles zou laten schieten om maar bij mij te kunnen zijn.

Zo’n meisje was ik.

Ook dat ging wel over, uiteindelijk, maar de tijd van radslagen, pirouettes en andere publiekelijke vertoningen van fysiek kunnen, was definitief voorbij. Bij de verplichte gymlessen op school draalde ik wat achteraan, had ik buikpijn, hoofdpijn, of zere enkels. Wanneer er teams gekozen moesten worden, baalde ik geenszins wanneer ik als een van de laatsten overbleef. Ik bleef hardnekkig en tegen beter weten in hopen dat niet gekozen worden ook nog een optie was.

Dat was het nooit.

Zo vond ik mijzelf op een dag uitgerust met keepershandschoenen. De aanvoerder van het team waarin ik uiteindelijk beland was, rekende erop nooit een bal in de buurt van het doel, en derhalve van mij, te laten komen. Of dit een overschatting van haar eigen vrienden was, of een onderschatting van de tegenpartij, weet ik niet, maar toen de bal op mij afsuisde hield ik uit louter lijfsbehoud die lompe handschoen omhoog en voor ik er erg in had werd er op school gefluisterd dat ik kon voetballen.

De volgende gymles werd ik als eerste gekozen. Daar stond ik in mijn doel, onzeker over wat mijn nieuwe status precies inhield. Misschien had ik wel echt een eerder onvermoed talent. Hoe ver zou dat mij kunnen brengen? Vooralsnog bleef het spel op de andere helft, dus ik had de tijd om erover na te denken. De bal kwam vanuit het niets. Hij raakte mij recht op mijn neus en ik viel knock-out achterover het doel in.

Ik was het dromen over dingen waarover ik slechts vage vermoedens kon koesteren nog niet helemaal ontgroeid.


Lekker in quarantaine

april 21, 2020

“Mooie dag.” Je laat het gordijn op een kier en trekt een shirt aan. Dat grijze, dat rafelt in de hals. Je knikt naar niets in het bijzonder en loopt de kamer uit. Ik staar naar de helderblauwe lucht met her en der een paars-roze wolk. Het is vroeg en koud en ik wil niet naar de wc.

De verwarming slaat aan, de keukenkraan loopt. Ik sluit mijn ogen, nog even. Nog even blijven liggen, even niets dan de warmte van het bed. Onder de deken rek ik me uit en rol me weer op. Ik draai. Ik wil tegen je aankruipen, jouw billen tegen mijn buik voelen, je schouders kussen en je nek, maar jouw plek is alweer koud. Wat zou je aan het doen zijn? Als je hier was, zou je je omdraaien, je hand op mijn kont leggen, je lippen … De druk in mijn buik neemt toe. Ik moet eruit.

De badkamertegels zijn koud. Kippenvel tintelt omhoog langs mijn benen, mijn tepels drukken tegen mijn nachthemd, ik wrijf over mijn armen. Een huivering trekt door mijn lijf als mijn billen de bril raken. Ik ben wakker. Tegen wil en dank.

Op de gang ruik ik koffie. Ik volg de geur naar de keuken, maar blijf in de deuropening staan, kijk op je rug. Jij rolt deeg met twee handen voor je uit, duwt er je muizen stevig in. Dan zet je je vingers erin en trekt het deeg weer naar je toe. En nog een keer, nog een keer, nog eens. Je pakt het op, petst het neer en begint opnieuw. De beweging rolt door je armen. Ik zie spieren spannen en ontspannen, je schouders, recht en breed, net even knikken alsof je erin zult duiken en ik, ik lig op het aanrecht, bloem op mijn billen, en je zet je handen in mij, trekt me naar je toe, duwt me weg, trekt me, tilt me. Ik kreun.

“Hé, meisje.” Je draait je om. “Was jij ook al op?”

‘Op’ is een groot woord, denk ik en blijf tegen de deurpost geleund staan. Je komt naar me toe en kust me. Ik voel weer alle haartjes overeindschieten, mijn tepels, een rilling. Je lacht. Je bent zo dichtbij dat ik alleen je ogen zie, maar ik zie ze lachen en dan kus je me nogmaals.

“Ik heb koffie gezet,” begin je en ik herinner me hoe ik lekker dacht, toen ik dat daarnet rook, lekker, terwijl je me nogmaals kust, lekkerrr en ik zeg alleen: “Rrrr.”

Je ogen vernauwen zich en je komt nog dichterbij om zacht “Rrrr” in mijn oor te antwoorden. Ik voel een deegkortsje van je vinger brokkelen, onder mijn nachthemd. Je handen omvatten mijn billen en je tilt me op, ik sla mijn benen om je heen, laat me meenemen.

“Het deeg moet een uur rijzen,” zeg je. “Minstens een uur.”


Door dik en dun

januari 29, 2020

We bekijken de drukte bij de voederplank van een afstandje. Dat wil zeggen, hij kijkt naar de drukte, ik kijk naar hem. Hoe zijn schouders hangen.
‘Hoor ze toch eens tekeer gaan,’ zegt hij, zijn hoofd iets scheef, ‘de druktemakers.’
‘Ze zijn blij.’
‘Ja. Blij zijn is makkelijk als je mus bent.’
‘Nou, dat weet ik niet hoor. Het is vast ook niet altijd mak-’
‘Hartstikke makkelijk, als iedereen je schattig vindt en volop eten voor je ophangt.’
‘Okee, misschien wel dan. Maar blij zijn is toch ook geen schande?’
Hij haalt zijn schouders op, verschuift wat. Hij houdt zijn blik op de mussen gericht.
‘Moeten wij eens proberen,’ vervolgt hij.
‘Wat, lieve?’
‘Met de hele familie, schreeuwend op zo’n plankje.’
‘Wat zit je toch dwars?’
‘Mij zit niets dwars.’
‘Schat …’
‘Mussen. Die eeuwige mutsmussen zitten mij dwars. En mensen. Die ze zo schattig vinden. “Oh, hoor ze toch eens kwetteren, wat énig!” Enig. Moet je ze horen als ik mijn mond opentrek. Moet je ze horen als ik naar die voederplank ga.’
‘Ach, schat.’
‘Nou, zo is het toch. Naar ons wordt geschreeuwd nota bene.’
‘Lang niet alle mensen zijn zo, dat weet je best.’
‘Ik ben het gewoon zat.’
Hij trekt zijn schouders weer op. Zijn blauwe ogen schijnen me opmerkelijk grijs toe. Ik schuif tegen hem aan, haal kort mijn snavel door zijn nek. Ik voel hem iets ontspannen. Hij sluit zijn ogen.
‘Ikauwvanjou,’ fluister ik.
Hij doet een stapje opzij om me aan te kunnen kijken. Eén blik zegt genoeg. We suizen van de schutting en pikken alles wat die kleine druktemakers hebben laten vallen uit het gras.


De sleutel

januari 16, 2020

Mijn vingers glijden over het blad. Klassiek glimmend mahoniehout met ingelegd groen leer. Lang niet zo groot als ik in mijn hoofd had. Ik zak op het puntje van de stoel. Het leer kraakt iets, zucht. Daar waar mijn voeten staan, zat ik. Urenlang. Vader vouwde een bootje van een vel papier en ik liet het rond zijn enkels varen. Of ik stelde mijn soldaten op aan weerszijden van de bergen die zijn voeten waren. Of ik schreef, knieën opgetrokken onder mijn buik, verhalen zonder woorden. Zonder pen of papier, maar eindeloos met mijn vinger de bewegingen namakend die ik vader zag maken boven me. Ik kan me niet herinneren wanneer ik uit zijn werkkamer verbannen werd, of waarom. Of misschien was ik het zelf wel geweest, stopte ik er te komen.

Zijn pen ligt er nog, naast een stapel papier. Nergens een geschreven woord. Ik knip de lamp aan. En direct weer uit. Dat mocht vroeger nooit. Aan-uit. De pennenhouder met het inktpotje, die hij zelf al niet meer gebruikte maar liet staan als aandenken aan opa, staat in het hoekje als altijd. Ernaast het kistje. Ik trek mijn stoel dichterbij.
Toen mijn neus precies tot de bureaurand kwam, stond het kistje daar op mij te wachten. Het was niet groot, maar bezat een onnoemelijke aantrekkingskracht. Dunne gouden aderen zichtbaar tussen de gladgeslepen edelstenen, een ietwat bol buikje boven kromme gouden pootjes. Een tovenaar moest het achtergelaten hebben, zo mooi, zo anders dan alles wat we thuis hadden, en zo vol raadsels. Papa glimlachte en liet het me vasthouden. Met twee handen. Maar nooit openmaken. ‘Later,’ zei hij, maar nooit hoeveel later. Ik kan het tussen duim en wijsvinger optillen, strek mijn middelvinger ter ondersteuning eronder. Mijn vrije duim glijdt over het deksel, glad en koud, naar de ribbels van de vergulde rand. Ik wissel van hand. Er is geen later meer voor vader. Ik klik het kistje open. Op rood pluche ligt een sleutel. Een priegelig klein sleuteltje.

Achter me staat de kast. Ooit had ik gevraagd waarom vader die kast liet staan, die niet meer geopend kon worden, omdat de sleutel weg was. ‘Alles op zijn tijd,’ had hij geantwoord. Langzaam draai ik mij om, de sleutel plakkerig in mijn hand. Het slot klikt soepel open, ik blaas tussen mijn lippen uit. Alles op zijn tijd. Alles. Op zijn tijd. Ik adem in met gesloten ogen. De planken voor me staan vol mappen, keurig geordend, jaartallen op de rug geschreven. Ik open mijn ogen en neem een willekeurig exemplaar. Elke dag schreef mijn vader in zijn dagboek, alles wat hij nooit zei.

 


Ongekende vermogens dankzij De Man met de BMW

november 28, 2019

‘Wat is er op de parkeerplaats gebeurd?’ vraagt de man voor me aan de cassière.
‘Een man stond net netjes in het vak en trapte toen op zijn gaspedaal in plaats van de rem. Reed zo het hek omver.’
‘Oh, dat heb ik ook eens gedaan.’ De man glundert. ‘Alleen ik deed het bij een twee meter hoge muur. Die kreeg ik niet omver, ik had alleen de auto in de kreukels.’ Hij lacht.
‘Een BMW was het, arme man. Ik bedoel, dat is een dure auto om zo te beschadigen.’
‘Ja. Dat heb ik ook wel eens gedaan,’ glundert hij nog maar eens. ‘Zo tegen die muur.’
Ha, denk ik. Ha. Het ligt niet aan mij.

Ik heb mezelf nooit kunnen betrappen op veel interesse in of talent voor autorijden. Toen ik laatst weer eens auto reed, voor het eerst in een automaat, trapte ik op de parkeerplaats op het gaspedaal, bij gebrek aan een koppeling om hem in zijn vrij te kunnen zetten. Ik vloog over een randje en landde op een andere auto. Sindsdien rijd ik maar helemaal niet meer. Het is vragen om ongelukken, mij in die auto zetten. Zo’n automaat vliegt al weg als ik er maar naar kijk. Dacht ik. Maar iedereen doet het kennelijk, op het gaspedaal trappen terwijl ze juist in het parkeervak staan. Mannen met BMWs doen het. Breedgeschouderde mannen die voor mijn neus stoere mannendingen afrekenen doen het. Als ze de rem bedoelen, nota bene. Niet eens omdat ze de gebruikelijke koppeling missen.

Ik fiets vrolijk naar huis met mijn zojuist aangeschafte spiegel. Twee haken heeft hij aan de achterkant, twee schroeven en twee pluggen zijn meegeleverd. Mooi. Meetlint, potloodje, boor, ik heb het bij elkaar gepakt voor ik er erg in heb. Slik ik? Geen onzin. Manlief heeft ook de Hogeschool voor Het Boren niet bezocht, dus er is geen enkele reden waarom hij het wel en ik het niet zou kunnen. Stevig staan. En gaan.

En zie. Het wonder geschiedt. Ik boor geheel probleemloos twee gaten in de muur. Niemand raakt gewond. Geen enkele muur stort in. Mijn spiegel hangt er keurig bij.

Nu moet ik alleen nog die man van die BMW zien te vinden om hem te bedanken, want zonder hem had ik nooit geweten dat het niet aan mij lag. Dan zat ik nu nog te wachten tot manlief tijd zou hebben om dat enge apparaat te bedienen, dat in mijn handen vast voor ongelukken zou zorgen. Waarbij hij ongetwijfeld meer troep gemaakt zou hebben dan ik, dus ik ben dubbel dank verschuldigd.


Lady Labelle

september 17, 2019

Het was puur toeval geweest dat ik haar leerde kennen, Lady Labelle. Ik had maar één van haar boeken gelezen, want ik was geen lezer, maar het had mij geraakt. Ik had het voor waar aangenomen. “Ach, natuurlijk niet kind,” zei ze. Haar ogen schitterden.

Het was in de tijd dat ik regelmatig rondzwierf door de buurt, tevergeefse pogingen ondernemend de onrust die heerste in mijn lijf af te schudden. Het was geen gezellige buurt -als ik alles bij elkaar tien namen zou weten van mensen die er woonden, was het veel, al woonde ik er mijn hele leven. Huizen waren vrijstaand en veelal aan het zicht onttrokken door hagen en andere omheiningen. Op de laatste hoek voor het duin stond een villa als geen ander. De voortuin boodt vrij zicht op de woning, die een ronde en een hoekige toren had, met daartussenin een wirwar aan uitbouwsels, dakkapelen en onbegrijpelijke constructies. Stokrozen, akelei, lavendel en vingerhoedskruid leken het huis weg te willen dragen, kamperfoelie hield het op zijn plek.

Iedereen wist dat op die hoek Gekke Bessie woonde. Als we met vrienden naar het strand gingen, spraken we af op ‘Bessies hoek’. Voor zover men in de buurt met elkaar praatte, was het over haar. Over haar vermogen, haar tragische levensgeschiedenis en nogmaals haar vermogen. De meningen over haar tuin waren te verdeeld -bloemenpracht of wildernis- om hardop uitgesproken te worden. Bovendien was het veel interessanter te speculeren wat er met dat vermogen van haar zou gebeuren als de oude dame, die geen ziel in de wereld had die om haar gaf, kwam te overlijden -wat toch op een dag zou moeten gebeuren, want niemand wist nog hoe oud ze nu eigenlijk precies was, maar iedereen wist dat ze er al langer woonde dan hun ouders zich konden herinneren. Men schudde meewarig het hoofd bij de gedachte dat de veelbelovende dochter uit een oud geslacht zo tot verval was gekomen. Ja, ze had haar rijkdom nog, en het huis, maar de dagen dat de schone Elisabeth met een zwaan vergeleken werd, waren lang vervlogen. Wie wist überhaupt nog dat ze voluit Elisabeth heette? Gekkie Bessie schuifelde voort in een walm van urine, wist men te vertellen, al zag je haar nooit.

Er was een jongeman geweest, die zich in de wijde omtrek gelukkig mocht noemen dat hij haar hand en hart wist te winnen. Zij had zich vol aan de liefde overgegeven en men fluisterde, maar het kan zijn dat dat gerucht later is toegevoegd, dat de bruiloft spoedig gevierd móést worden. Ze waren het eerste gezin met een auto. Op zaterdagmiddag werd deze gepoetst en op zondag maakten ze een ritje, meestal samen, een enkele keer met de kleine erbij.

Nadat Elisabeths vader was overleden, ging ook de gezondheid van haar moeder hard achteruit. Om haar bij te kunnen staan in wat haar laatste maanden zouden zijn, trok Elisabeth, met kind en kindermeisje, bij haar moeder in. Wanneer haar man in hun eigen woning verbleef, schreef zij hem zulke hartstochtelijke brieven dat hij niet wist hoe snel hij bij haar moest komen. Maar na een paar dagen in het huis van de maar langzaam stervende schoonmoeder, moest hij toch altijd weer terug om hun eigen zaken te behartigen.

Toen moeder alleen nog met gesloten ogen op bed lag, en zich zelfs geen heldere bouillon meer liet voeren, vatte Elisabeth haar hunkering naar troostende armen zo kundig in een brief dat haar echtgenoot hem niet eens uitlas. Hij nam de auto, hoewel hij dit niet gewoon was, en reed zo snel hij kon naar zijn geliefde.

Terwijl Elisabeth haar moeders hand vasthield en bleef vasthouden na het laatste kneepje, plukte haar dochter bloemen in de voortuin. Ze keek op toen ze een onbekend geluid hoorde. Een auto draaide de oprit op. “Papa!” riep ze enthousiast. In zijn vergeefse poging haar nog te ontwijken, boorde hij de auto in een boom.

Elisabeth werd wees en weduwe op één dag. De volgende dag overleed haar dochtertje aan haar verwondingen.

Steeds minder werd de schone Elisabeth nog gezien. Goedbedoelde pogingen troost en afleiding te bieden werkten averechts en meer en meer trok ze zich terug. Slecht verscholen achter doorzichtige smoezen om niemand te hoeven ontmoeten, liet ze haar open glimlach wegsterven. Iedereen begreep het. Niemand kon er iets aan doen. Elisabeth verdween tussen de schimmen van haar geliefden.

Het schemerde toen ik het duin afkwam, maar ik zag haar duidelijk staan. Ze droeg een witte jurk die afstak tegen het donkere paars van de lavendel, en de laatse restjes roze in de lucht. Haar gezicht was verborgen in de schaduw van een breedgerande hoed, maar het idee van schoonheid straalde van haar af. In zoverre ik iets van mijn onrust was kwijtgeraakt, welde het in één klap opnieuw op. Ze keek op. Recht in mijn gezicht. Ze groette. Ze had vroeger ook graag door de duinen gedwaald, maar het werd niet netjes gevonden, en gevaarlijk bovendien. Nu dwaalde ze enkel nog door haar eigen tuin, maar die was ook groot genoeg nu alle onrusten uit haar lijf verdwenen waren. Ze glimlachte en ik wist niet of het om mij was, of om de herinnering aan zichzelf.

Het was niet geheel bewust, maar toch ook niet toevallig dat ik de dagen daarop rond dezelfde tijd langs het huis liep. Een week ging voorbij voordat ik haar weer trof. Ze liep met een stok en ik zag de rimpels en aderen op de hand die hem vasthield. De andere hand stak ze naar mij op. “Ik heb je vaak misgelopen deze week,” zei ze. Ik zag de rimpels rond haar ogen, die haar glimlach benadrukten.

Het werd gewoon dat ik achterom liep en binnenstapte zonder kloppen. We dronken thee in de serre waar zij orchideeën kweekte, die ze toesprak alsof het kleine kinderen waren, zonder zich tegenover mij te generen. Elisabeth had haar moeder haar genoemd, ja. Haar vader had Bessie gezegd en de buurt noemde haar gek, dat wist ze wel. Ze wist wie het waren, stuk voor stuk, en dat zij haar nog niet zouden herkennen als ze over haar struikelden. Ze hadden geen idee. Haar uitgever kende haar als Labelle, en Labelle werd door vele mensen gekend. Maar dat was geen echt kennen, natuurlijk. Ze wisten niets van haar. Ze meenden haar verhaal te kennen, omdat ze haar verhalen kenden. Verzonnen, allemaal, van a tot z. De Lady, die als jonge vrouw kind en geliefde verloor? Fictie, verzekerde ze mij. En ik geloofde haar, want ze geurde naar zomeravonden en verse bloemen.


Los

juni 25, 2019

Nog nooit had op maandagochtend vrijdagmiddag zo lang geleden geleken. Het hele weekend had ze zijn vingers op haar rug gevoeld, zijn sterke duimen op haar buik. Hij had haar opgetild, zij had gelachen. Hardop, kort. Altijd in voor een geintje. Daarop keek ze hem in de ogen en zag niet de vertrouwde collega van altijd. Ze had een belofte gezien, die binnendrong als een dreigement. Ze rommelt tussen haar panties, tot ze een paar kousen vindt.

Hij staat bij de koffieautomaat. De herinnering raast door haar lichaam -dat moment los van grond, los van alles, om dan gevangen te worden in die blik- maar haar beheerste passen verraden niets. Terloops laat ze haar vingers langs zijn rug glijden. Een glimlach over haar schouder en ze is alweer weg.

Onder het bureau schopt ze haar schoenen uit, wrijft traag met haar rechtervoet langs haar linkerkuit. De koffie gloeit tegen haar lippen, maar meer nog voelt zij het kant op haar benen, en het stukje bloot daarboven, dat zij de hele werkdag als een geheim met zich meedraagt.

“Kom je ook?” vraagt hij eind van de dag in de deuropening. Ze bijt op haar lip, laat haar ogen het woord voeren. En of ze zal komen.


Trouwdag

mei 21, 2019

Hij legt zijn hand op mijn been. Ik glimlach, zie over zijn schouder de serveerster aankomen. Ze zet de zwarte koffie voor hem neer, de cappuccino voor mij. We bedanken en wisselen de kopjes pas om als ze weg is.
“Had je er iets bij gewild?” vraagt hij na twee slokken. In het zonlicht lijkt zijn grijze haar bijna doorzichtig, zijn rimpels diep.
Aan het tafeltje naast ons zit een jong stel. Zongebruind en rimpelloos. Ze lachen, buigen naar elkaar toe, giechelen. Ik wend mijn hoofd af. Aan de overzijde van het terras prijst een affiche Caribische stranden. Ik denk aan onze huwelijksreis, vijfenveertig jaar geleden. Op de camping in Twente.
“Ze hebben appeltaart,” probeert hij.
Ik schud mijn hoofd. Ik ben tevreden.